De Zusters van O.L.V.-ten-Bunderen (vanaf omstreeks het jaar 1269)
Moorslede 1269-1578
Frankrijk 1578-1587
Ieper 1587-1785
Moorslede 1785-2004
Zonnebeke 2004 -
varia

traduire cette page

   Zoek op deze site met FreeFind

 

beluister ClassicFM NL tijdens het surfen, 126 K stereo ('Windows Media Player' vereist)

Het O.-L.-Vrouwhospitaal in Doornik (1238)

Het 2de hospitaal (met gele stip) aan de Schelde-oever. Plattegrond van Doornik. Braun en Hogenberg, Civitates Orbis Terrarum, 1588.
Het O.L.V.-hospitaal (met gele stip) aan de Schelde-oever. Plattegrond van Doornik (fragment).
Braun en Hogenberg, "Civitates Orbis Terrarum", 1588.

In 1473 kregen de zusters van het Gasthuis ten Bunderen in Moorslede, samen met die van het St.-Jorishospitaal in Menen en van het St.-Jansgasthuis in Wervik, de kloosterregel van de H. Augustinus en de bijhorende kloosterstatuten uit de handen van de Doornikse bisschop Willem Fillastre. Deze statuten vertoonden duidelijke verwantschap met het kloosterregelement (1430) van het O.L.V.-hospitaal van Kortrijk. Tekstkritisch onderzoek bracht aan het licht dat de Kortrijkse statuten schatplichtig waren aan het reglement (1238) van de zusters van het O.L.V.-hospitaal in Doornik, bijv. de richtlijnen voor aanvaarding van nieuwe leden, de verplichte kloostergebeden, de inbreuken op de regel en de daaraan verbonden straffen.

Het hospitaal aan de boord van de Schelde. Kaart, 1582.
Het O.L.V.-hospitaal (met geel pijltje aangeduid) aan de boord van de Schelde. Kaart, 1582.

Een aantal gezaghebbende mediëvisten, o.m. Marie-Thérèse Lacroix, Jean Imbert, Léon Le Grand en Luc Vansteenkiste, komen tot de eensluidende conclusie dat de statuten (1238) van het O.L.V.-hospitaal van Doornik op hun beurt beïnvloed werden door die van

  • het fameuze St.-Janshospitaal in Jeruzalem (ca. 1150), m.n. de richtlijnen voor het onthaal en de verzorging van de zieken; de professie van de 3 geloften; de kledij; de ascese; het wekelijks kapittel; het gedrag buiten het klooster; de gebeden voor de afgestorvenen; de verplichte stilte in de refter, slaapzaal en kapel; de straffen voor begane fouten (vasten op water en brood, eten op de blote grond);
  • het St.-Janshospitaal in Brussel (1211), inzake de dagelijkse kloostergebeden en de sancties voor bepaalde overtredingen;
  • de Dominicanen (1215-1237);
  • de regionale concilies van Parijs (1212) en Rouen (1214), die het afleggen van de 3 kloostergeloften en het dragen van religieuze kledij oplegden en het aantal zusters per hospitaal tot het strict noodzakelijke wilden beperken.
Een schematisch overzicht van de wederzijdse invloeden en van de verwantschappen tussen de verscheidene hospitaalstatuten kan men hier bekijken.

het oude gasthuis (9de - 12de eeuw)

Het oude hospitaal (9de-12de eeuw). Grondplan. Etienne Soil de Morialmé, 1892.
Situering van het oude gasthuis ("vetus hospitale") van de 9de tot de 12de eeuw.
Etienne Soil de Morialmé, 1892. Eugène J. Soil de Morialmé (1892)

816- In de Karolingische Tijd schreef de bisschoppensynode van Aken (816) voor dat alle kloosters en alle kapittels van kanunniken moesten beschikken over een gastenverblijf ("xenodochium") voor de opvang van arme passanten en pelgrims. Reeds vanaf de 6de eeuw was Doornik een bisschopsstad met een eigen kathedraal, op de linkeroever van de Schelde. Aan de kathedraal was in de 9de eeuw een kapittel verbonden van een 20-tal kanunniken, voorgezeten door een deken, die het bestuurs- en adviescollege vormden van de bisschop. Het ging om seculiere kanunniken, d.w.z. wereldgeestelijken, geen reguliere geestelijken (= religieuzen) dus. De leden van de groep vormden wél een communauteit met een gezamelijke levensregel en met dagelijks gemeenschappelijk getijdengebed in het koor van de kathedraal.

De wereldvermaarde romaans-gotische O.-L.-V.-kathedraal van Doornik
De wereldberoemde romaans-gotische O.-L.-V.-kathedraal van Doornik

817 - Lodewijk de Vrome, zoon van keizer Karel de Grote, liet het bisschoppelijk domein in Doornik uitbreiden met een kloosterpand voor het kapittel van kanunniken, dat een klein hospitaal ("infirmerie") omvatte, voor het gastvrij onthaal en de verzorging van een beperkt aantal bedevaarders en behoeftige reizigers. Doornik was in die tijd een kruispunt van 2 belangrijke Romeinse heerbanen. Vanaf de 11de eeuw zouden talloze pelgrims naar Compostela gebruik maken van deze routes, en in Doornik halt houden voor een bezoek aan de beroemde romaanse O.L.V-kathedraal met haar mirakuleuze Mariabeeld ("Notre Dame Flamande").

Situering van het 1ste (geel) en 2de hospitaal (rood) ten noordoosten van de kathedraal. Grondplan van Doornik, eind 13de eeuw.
Situering van het 1ste (geel onderlijnd) en 2de hospitaal (rood onderlijnd), ten N.-O. van de kathedraal.
(J. Warichez. La cathédrale de Tournai et son châpitre. Wetteren, 1934

Over het oude hospitaal ("vetus hospitale") zijn geen schriftelijke documenten bewaard gebleven. Historici zijn het over één ding eens: het 9de eeuws gasthuis omvatte een of meer bestaande woonhuizen vlakbij de kathedraal en was omgeven door het plein Le Monch(i)el of Kolenmarkt (nu: Place Paul - Emile Janson), de Rue du nouveau Gué (de huidige Rue de la Lanterne), de Rue du vieux Gué (de huidige Rue de l'Hôpital Notre-Dame) en het nu verdwenen verbindingstraatje Rue de la Contrerie. Naast het gasthuis stond de woning van de verantwoordelijke kanunnik ("l' hospitalier").

de stichting van het nieuwe gasthuis

De 2 stichters van het O.-L.-Vrouwhospitaal van Doornik. Links kanunnik Marcel, rechts zijn broer kanunnik Gudulfus. Afb. uit boek van Yves Delannoy. Notice historique sur divers hospices de la ville de Tournai. Doornik, Casterman, 1880.
De stichters van het O.-L.-V.-hospitaal van Doornik. Kan. Marcel (links)
en zijn broer kan. Gudulfus (rechts). Afbeelding uit "Notice historique
sur divers hospices de la ville de Tournai
" (1880) van Yves Delannoy.

1112 - Uit dat jaar dateert het oudste schriftelijk bewijsstuk over het kapittel-gasthuis in Doornik, nl een akte uit het "Cartularium A" in het archief van de kathedraal. In deze akte deden de gebroeders Geldulf (Gedulphus) en Marcel, allebei kanunnik, een omvangrijke schenking van diverse landerijen, huizen en eigendommen, voor de zorg van armen en behoeftigen in een gasthuis ("assidua pauperum refectio... ad augendam pauperum refectionem". Daarom werden de 2 kanunniken traditioneel de officiële stichters genoemd van het gasthuis. Maar het ging hier niet zozeer om een daad van vrijgevigheid voor de oprichting een nieuw hospitaal, maar om een grondige hervorming en financiële impuls van het bestaande 9de-eeuwse gasthuis, dat door het Doornikse kapittel wat werd verwaarloosd.

het beheer van het gasthuis

Zegel van bisschop van Simon van Vermandois, bisschop van Noyon/Doornik
Zegel van Simon van Vermandois, bisschop van Noyon/Doornik

1126 - Simon van Vermandois, bisschop van Noyon/Doornik, vaardigde statuten uit, waarin hij de functie instelde van een "hospitalarius", een kanunnik die werd belast met de dagelijkse administratieve leiding van het gasthuis en met de geestelijke zorg voor het personeel en voor armen en zieken. Deze kanunnik kreeg van de kapittel-deken een speciale prebende (= kerkelijk jaarinkomen) om in zijn levensonderhoud te voorzien om te beletten dat hij gebruik maakte van het geld, dat bestemd was voor het gasthuis. Hij werd verkozen door het kapittel van kanunniken en vervolgens in zijn ambt bekrachtigd door de bisschop. Jaarlijks moest hij de rekeningen (inkomsten en uitgaven) voorleggen aan zijn collega's, die hem konden afzetten als hij zijn taak niet naar behoren vervulde. Het kathedraal-kapittel behield dus - tot in 1792! - het exclusieve oppergezag (= jurisdictie) over het gasthuis, voor o.m. het voorschrijven van statuten of de officiële aanvaarding van een nieuwe zuster.

Paus Innocentius II
Paus Innocentius II.

1139 - Paus Innocentius II stelde in een bul het hospitaal onder zijn hoge bescherming. Hij voorzag dat de hospitaal-kanunnik ("procurator hospitalis") zich vooral inliet met de geestelijke zorg (daarom later "elemosinarius" of aalmoezenier genoemd) en voortaan werd bijgestaan door een "socius" (= adjunct, adviseur) voor het beheer van de tijdelijk zaken. Deze leek, voorgedragen door de "cives seniores" (= stadsnotabelen), werd elk jaar (her)verkozen door het kapittel in aanwezigheid van de wereldlijke overheid, en moest bij die gelegenheid de rekeningen voorleggen. Voor belangrijke zakelijke akkoorden, herstellingswerken enz. was altijd vooraf het fiat van het kapittel nodig.

Situering van het oude (geel) en nieuwe hospitaal (rood). Jacques Pycke. Grondplan van Doornik op het einde van de 13de eeuw.
Situering van het oude (geel) en nieuwe 12de-eeuws hospitaal (rood), ten N.-O. van de kathedraal.
Jacques Pycke. Grondplan van Doornik op het einde van de 13de eeuw.

Rond datzelfde jaar verhuisde het oude gasthuis, verder weg van de kathedraal. Het nieuwe hospitaal ("novus hospitale"), voor het eerst uitdrukkelijk toegewijd aan O.L.-Vrouw, lag nu aan de oever van de Schelde, omringd door de Rue du nouveau Gué (de huidige Rue de la Lanterne), de Rue du vieux Gué (de huidige Rue de l'Hôpital Notre-Dame) en het inmiddels verdwenen verbindingstraatje Rue de la Contrerie. Vanaf de 1ste helft van de 12de eeuw kregen de zieken steeds meer voorrang, en lag de nadruk steeds minder op de opvang van hulpbehoevende pelgrims en passanten.

muntstukken van Stefanus I van Nemours, bisschop van Doornik

1197 - Bisschop Stefaan I van Nemours vaardigde een reglement uit voor de hospitaal-kanunnik. Deze moest een vaste verblijfplaats hebben, om zo dagelijks de mis te celebreren en sacramenten toe te dienen en om steeds ter beschikking te zijn van het ziekenhuispersoneel, de zieken en de armen. De betrokken kanunnik moest bij zijn aanstelling ook onder ede beloven dat hij stipt zou deelnemen aan het gemeenschappelijk getijdengebed in de kathedraal. Voor het eerst wordt melding gemaakt van hospitaalzusters ("sorores hospitalis") die de zieken verzorgden en allerlei huishoudelijke taken (koken, wassen, verversen van beddegoed, naaiwerk e.d.) vervulden in het hospitaal. Deze zusters leefden aanvankelijk volgens de evangelische raden, waren sober gekleed, onderwierpen zich aan een soort van intern reglement maar waren niet gebonden aan een kloosterregel.

de statuten van het O.L.V.-hospitaal (1238)

de overste en 2 zusters geknield bij Madonna met Kind. Miniatuur, 14de eeuw. Doornik, kathedraalschat.
De meesteres (vooraan) en 2 zusters van het Doornikse hospitaal, geknield bij Madonna met Kind.
(Miniatuur, 14de eeuw. Doornik, kathedraalschat)

Het oudste bewaarde document over het bestaan van een gemeenschap van zusters in het hospitaal was het reglement, dat het kapittel van kanunniken van Doornik voor hen uitvaardigde in juli 1238. Die originele statuten zijn verloren gegaan, maar de tekst ervan is overgeleverd via 2 kopieën, allebei perkamenten handschriften uit de 14de eeuw, rijkelijk verlucht met miniaturen: het ene (van na 1366) bevindt zich in de schatkamer van de Doornikse kathedraal, het andere (van virca 1400) berust in de stadsblibliotheek ("Maison de la Culture") van Doornik.

De statuten bestonden uit 2 delen: enerzijds een schat van informatie over het gemeenschapsleven van de verplegende zusters en anderzijds tal van richtlijnen omtrent het onthaal en verzorging van de zieken in het hospitaal.

I. Het interne reglement van de hospitaalzusters

De hospitaalkanunnik overhandigt 2 zusters het boek met de statuten. Miniatuur, 14de eeuw. Doornik, kathedraalschat.
De hospitaal-kanunnik overhandigt 2 zusters het boek met de statuten.
(Miniatuur, 14de eeuw. Doornik, kathedraalschat)

  • De zusters leefden met de regel van St.-Augustinus als inspiratiebron, waaruit de statuten van de communauteit voortvloeiden. Ze verbonden zich ertoe om samen kuis en religieus te leven, te verzaken aan alle persoonlijke eigendom, en te gehoorzamen aan de meesteres (= priorin) van het hospitaal. Hoewel ze een actieve gemeenschap vormden, gericht op de opvang en verzorging van zieken, armen en behoeftige pelgrims, namen ze veel over van het monastieke leven van de bestaande kloosterorden, zoals het noviciaat, de strenge tucht, het gemeenschappelijk getijdengebed, enz.

  • De zusters waren direct onderworpen aan het gezag van de hospitaal-kanunnik, die echter een deel van zijn verantwoordelijkheid overdroeg aan de meesteres, benoemd door het kapittel.

  • De statuten legden de aanvaardingsvoorwaarden vast. Een kandidate richtte haar vraag tot intrede aan de hospitaal-kanunnik, maar ze kon enkel met toestemming van het kapittel worden toegelaten. De aspirante moest het bewijs leveren van een deugdzaam en godvrezend leven én van onberispelijk zedelijk gedrag. Bovendien moest ze blijk geven van veel werkijver en gezond en robuust zijn om het zware ziekenhuiswerk aan te kunnen.

  • Bij de keuze van kandidaten speelde het aantal beschikbare plaatsen een rol. Het statuut raadde aan om niet méér zusters te hebben dan noodzakelijk voor de verzorging van zieken en armen. Rekening houdend ook met de beschikbare inkomsten, die, met zo min mogelijk "overheadkosten", optimaal de zieken en armen ten goede moesten komen. In een later reglement van 1293 werd het maximumcijfer vastgelegd op 5, maar 2 (rijke) overtallige zusters van adellijke afkomst mochten voorlopig toch blijven, maar niet worden vervangen tot de limiet van 5 was bereikt.

    De Franse koning Filips VI van Valois. J. Albrier, 19de eeuw. Versailles, Mus. Nat. du château.
    De Franse koning Filips VI van Valois. J. Albrier, 19de eeuw. Versailles, Mus. Nat. du château.

    Toch zijn er gevallen bekend dat een postulante werd opgedrongen, hoewel geen plaats vacant was. Doornik was namelijk sinds 1187 een directe vazal-stad van Frankrijk. Elke Franse koning had vanaf de 14de eeuw het recht ("droit de novelté") om bij zijn "blijde intrede" een kandidate van zijn keuze een plaats te geven in de comunauteit. Bij zijn aantreden in 1338 drong Filips VI van Valois een eigen kandidate op die, zeer tegen de zin van het Doornikse kapittel, toch werd aanvaard. In 1350 deed koning Jan II hetzelfde voor een dochter van een invloedrijke familie uit Doornik.

  • In 1238 werd geen minimumleeftijd voorzien voor nieuwe zusters. Maar vanaf 1293 werd die vastgelegd op 18 jaar.

  • Het statuut van 1238 repte niet over de sociale herkomst van de kandidaten. Maar uit overgebleven 17de-eeuwse archieven blijkt dat toen dat de meeste zusters afkomstig waren uit de adel of uit de rijke burgerij, en dat het maximum-aantal vrij stelselmatig werd overschreden. Er speelden minstens 2 overwegingen mee: 1. postulanten uit een rijk gezin kregen bij hun intrede een omvangrijke bruidschat mee (niet enkel geld maar ook soms eigendommen, goederen, meubelen, renten op huizen en erfenissen) waardoor ze het patrimonium van het hospitaal verrijkten; 2. Deze meisjes hadden een degelijke gedisciplineerde opvoeding gekregen, waardoor ze zich makkelijker schikten naar het gemeenschapsleven (koorgebed) en naar de vereisten van het hospitaalwerk.

  • Wanneer een kandidate beantwoordde aan de vereiste kwaliteiten (gezond, werklustig en godvrezend zijn), moest ze een proeftijd (= noviciaat) doormaken, waarin zowel haar morele als intellectuele eigenschappen werden getoetst. Als dit positief uitviel legde de hospitaal-kanunnik de kandidatuur van de novice voor aan het eindoordeel van het kapittel. De eigenlijke opname in de gemeenschap ging gepaard met de ceremonie van de professie, waarin de nieuwe zuster de 3 kloostergeloften van maagdelijkheid, gehoorzaamheid en armoede aflegde, de kloosterkledij (een wit habijt, een blauwe mantel, een scapulier zzonder kap, een witte muts en een zwarte sluier) aantrok en de vredeskus wisselde met alle hospitaalzusters.

    Opname van een novice. Miniatuur, eind 15de eeuw. Parijs, Mus. de l'Assistance Publique
    Opname van een novice. Miniatuur, eind 15de eeuw. Parijs, Mus. de l'Assistance Publique

  • De zusters namen 7 maal, op vaste tijdstippen over de dag gespreid, deel aan het gemeenschappelijk koorgebed, de zogeheten Lieve-Vrouwgetijden. De koorzusters zongen het klein officie, de (veelal ongeletterde) lekenzusters baden dagelijks 100 Onze Vaders en Weesgegroeten. Elke dag kwamen de communauteit samen om te bidden voor de goederen van het hospitaal, voor de hospitaal-kanunnik en vooral voor de weldoeners.

  • Bovenop de getijden legden de statuten vasten en zelfkastijding op. De zusters moesten vasten tijdens bepaalde perioden (de 40-dagentijd, de adventsperiode vanaf de H. Martinus tot Kerstmis) van het jaar, met uitzondering van de feestdagen. Ook op 4 dagen van de week (maandag, woensdag, vrijdag en zaterdag), quatertemperdagen en vigilies van feesten. De zusters mochten buiten de vastenperioden vlees eten op zondag, dinsdag en donderdag. Tijdens de maaltijden in de refter, in elke gebedsruimte en 's nachts op de slaapzaal werd absolute stilte opgelegd. Hoewel de mensen in de Middeleeuwen naakt sliepen moesten de hospitaalzusters in bed een lang nachthemd dragen.

  • De zusters mochten enkel het hospitaal verlaten om gegronde redenen, én met toestemming van de meesteres. Buitenshuis mochten ze spreken en iets eten, maar met mate. Rondlopen in de straten of op open plaatsen in de stad of een bezoek brengen aan een herberg waren uit den boze.

    twee zusters dienen voedsel toe aan een zieke. Miniatuur, 14de eeuw. Doornik, kathedraalschat.
    Twee zusters dienen voedsel toe aan een zieke.
    (Miniatuur, 14de eeuw. Doornik, kathedraalschat)

  • Elke vrijdag kwamen de zusters in kapittel bijeen om, samen met de hospitaal-kanunnik en de meesteres, de inkomsten en uitgaven te bespreken. Bij die gelegenheid legden alle leden van de communauteit openbaar een schuldbekentenis af van inbreuken op de regel en het statuut. Vervolgens legde de meesteres straffen op, gaande van extra-vasten, zelfkastijding tot zelfs uitsluiting.

    Enkele voorbeelden van sancties. Een zuster die een zieke had bespot of uitgescholden, werd één dag onderworpen aan zelfkastijding en penitentie, een dag stilzwijgen en eten op de grond in de refter, op water en brood. Deze penitentie kon uitbreiden tot 7 opeenvolgende dagen, met 3 dagen zelfkastijding en eten van water en brood, wanneer een zuster iemand te lijf was gegaan, had geprotesteerd, eten had verduisterd of het geheim van het kapittel had geschonden. De straf kon 3 weken duren voor zuster die slagen of verwondingen hadden toebracht aan andere zuster, of oplopen tot 40 dagen voor een diefstal of sexuele misstap.

    De zwaarste straf was onmiddellijke uitwijzing, voor doodslag, het plegen van meerdere diefstallen of het verwekken van een kind. Een verstoten zuster kon na een lange termijn worden heropgenomen in de communauteit, onder bepaalde voorwaarden: als de betrokkene blijk gaf van grote spijt; als ze voorheen van groot nut was voor het hospitaal en als het kapittel van kanunniken ermee instemde. Bij heropname moest de verbannen zuster eerst 40 dagen bij de inganspoort verblijven, er slapen met de armen en zich voeden met de etensresten. Daarna vervoegde ze de communauteit, maar moest eerst 40 dagen op de grond eten, leven op water en brood, en gedurende 3 dagen per week het stilzwijgen bewaren en zichzelf kastijden.

II. De opvang en verzorging van zieken en armen

Twee zusters begeleiden een zieke naar zijn bed. Miniatuur, 14de eeuw. Doornik, kathedraalschat.
Twee zusters begeleiden een zieke naar zijn bed.
(Miniatuur, 14de eeuw. Doornik, kathedraalschat)

Het O.L.V.-hospitaal van Doornik was in de beginperiode (vanaf de 9de eeuw t/m de 12de eeuw) bestemd voor de opvang van bedevaarders, passanten en armen. Over deze gastvrijheid was het statuut van 1238 vrij karig met informatie. Pelgrims en armen werden ontvangen na de vespers. Men stak het vuur aan in de haard om het gasthuis te verwarmen en om water aan de kook te brengen, waarmee de passanten zich konden wassen. De resten van vlees en de soep werden op tafel gezet en er werden enkele bedden ter beschikking gesteld. Volgens het statuut moesten de gasten na één nacht vertrekken om plaats te maken voor nieuwkomers.

Hoewel dit onthaal van pelgrims en armen in bescheiden mate zou blijven doorgaan tot de 18de eeuw, lag vanaf de 13de eeuw het hoofdaccent op de ziekenzorgzorg. Maar niet elke zieke werd zomaar toegelaten in het O.L.V.-hospitaal. Er golden een aantal opnamevoorwaarden. Het statuut van 1238 onderscheidde volgende soorten zieken:

Een zuster weigert een melaatse (met ratel) de toegang. Miniatuur, 14de eeuw. Doornik, kathedraalschat.
Een zuster weigert een melaatse (met ratel) de toegang.
(Miniatuur, 14de eeuw. Doornik, kathedraalschat)

  • Arme mensen met een behandelbare ziekte, aandoening of verwonding, hoogzwangere vrouwen zonder onderkomen werden zonder meer toegelaten. Men hield geen rekening met de sociale (zowel rijken als arme bedelaars) of geografische herkomst (zowel vreemdeling als bekenden). Na hun genezing moesten ze onmiddellijk het hospitaal verlaten om plaats te maken voor nieuwkomers.
  • Arme ongeneeslijke zieken, zoals blinden, kreupelen en verlamden, mochten slechts voor een beperkte tijd worden opgenomen, zoniet zou het gasthuis in de kortste keren volzet zijn. De neiging bestond natuurlijk om vermogende ongeneesbare zieken toch op te nemen, met het oog op het verwerven van hun vermogen en hun kledij bij hun overlijden. Later, in de 17de eeuw nam men, onder druk van stadsmagistraat, soms een beperkt aantal (onbehandelbaar zieke) pestlijders op, op kosten van de overheid.
  • Armen waarvan de gezondheidstoestand alarmerend was konden beschikken over de helft van de bedden. Ze mochten binnen op voorspraak van de pastoor en/of na getuigenis van de buren.
  • Armen die door arbeid, hun huishouden of door bedelen in staat waren om in hun eigen levensbehoeften te voorzien werden in geen geval toegelaten. Ook lepralijders werd de toegang ontzegd: de zusters verwezen hen door naar een leprozerij buiten de stad.
  • Een aparte categorie niet-zieken deed vaak een beroep op het hospitaal: het ging om (rijke) mensen die niet ziek waren, maar door plotse tegenslag in de armoede terechtkwamen. Deze geruïneerden voerden aan dat ze niet gewoon waren te werken en afkerig stonden tegenover bedelen. Een klein aantal mocht worden opgenomen, met speciale toestemming van het kapittel, dat rekening hield met de kwaliteiten van de kandidaat en met de redenen van zijn/haar plotse armoede.

Hospitaalscène. Livre de Vie active de l'Hôtel-Dieu de Paris, 1482
Hospitaalscène. "Livre de Vie active". l'Hôtel-Dieu de Paris, 1482

Pas nadat hij/zij had gebiecht bij een priester en alle persoonlijke zaken ter bewaring had toevertrouwd aan een zuster, mocht een kandidaat-patiënt(e) binnenkomen en beschikken over een eigen bed. Zwaar zieken kwamen terecht in de infirmerie. Besmettelijke zieken en hoogzwangere vrouwen werden in aparte kleine kamers naast de ziekenzaal gelegd. De grote ziekenzaal, met een kapel en altaar op een van de uiteinden, telde enkele tientallen bedden (waarvan enkele waren voorbehouden voor pelgrims), was steeds verwarmd en verlicht en stond onder permanente bewaking.

Wat hield de ziekenzorg in? De stand van de medische wetenschap was nog erg gebrekkig én het zieleheil van de zieke werd belangrijker geacht dan de lichamelijke gezondheid. Net zoals in de meeste andere hospitalen was er tot en met de 13de eeuw geen gekwalificeerd medisch personeel in vaste dienst. Het waren de ziekenzusters zélf, die de stiel, al doende, hadden geleerd van oudere ervaren medezusters, die instonden voor de zorgverstrekking en voor het geven van voldoende eten en drinken. Er stonden kleren en schoenen ter beschikking van de zieken om hun bed te verlaten, bijv. om naar het toilet te gaan. Herhaaldeijk worden de zusters in de statuten aangemaand om de zieken met zachtheid en voorzichtigheid te behandelen, hen te troosten en hen te vragen om hun ziekte geduldig te dragen en te bidden.

Voetoperatie door een chirurgijn. Pieter J. Quast, 1630. Amsterdam, Rijksmuseum.
Voetoperatie door een chirurgijn. Pieter J. Quast, 1630. Amsterdam, Rijksmuseum.

De strict medische zorg was vrij rudimentair en bestond vooral uit kruiden, balsems, zalfjes, pleisters, baden en aderlatingen. Slechts in geval van hoge nood werd er een "chirurgijn" van buitenaf bijgehaald, die werd betaald per consultatie. Pas vanaf 1438 zullen 2 bezoldigde chirurgijns vast worden tewerkgesteld in het hospitaal, in een soort beurtrol. De hospitaal-kanunnik ("hospitalarius") superviseerde en bezocht geregeld de zieken. Zijn administratieve adjunct was betrokken bij verdeling van de maaltijden, want soms waren er disputen tussen de zieken en zusters.

Andere hospitaal-bewoners in de 13de eeuw

Interieur van een bewaard gebleven ziekenzaal in Seclin (N.-Frankrijk)
Interieur van een bewaard gebleven ziekenzaal in Seclin (N.-Frankrijk)

Op het einde van de 13de eeuw woonden er in het O.L.V.-hospitaal in Doornik, naast 7 zusters, ook nog 2 kapelaans, enkele lekenbroeders en "familiares".

  • Twee kapelaans waren aangesteld door het kapittel voor de religieuze dienstverlening, m.n. het celebreren van de dagelijkse mis, koorgebeden in de ziekenzaalkapel en het toedienen van de sacramenten (biecht, communie, ziekenzalving) aan de zieken en de zusters. Zij kregen hiervoor van het kapittel een aparte bezoldiging. Daarmee was de taak van de hospitaal-kanunnik uitgehold tot een erefunctie.

  • Volgens diverse documenten waren enkele lekenbroeders verbonden aan het hospitaal, zonder dat hun taak nader werd omschreven. Vermoedelijk verrichten ze zwaardere handenarbeid, zoals het bewerken van de braakliggende gronden en het beheren van de uithoven (= op het platteland gelegen boerderijen die bij het hospitaal hoorden). Allicht was ook een broeder aangesteld als de portier, die 's avonds na de completen, de toegangsdeur sloot. De grens is niet altijd te trekken tussen deze broeders en het (mannelijk en vrouwelijk) dienstpersoneel, dat allerlei praktische klussen klaarde in de ziekenzaal, de tuin, de keuken de kelders voor voedselvoorraad, enz.

  • Zoals in tal van middeleeuwse gashuizen en hospitalen woonden in het klooster van Doornik ook een aantal personen, zonder de kloostergeloften te hebben afgelegd, "familares" genoemd. Het ging om mensen die, onder bepaalde voorwaarden én met de toelating van het kanunniken-kapittel, mochten inwonen, in ruil voor een aanzienlijke gift, een soort van "bruidschat". De betrokkenen moesten zweren nooit ten laste te zijn van het hospitaal, leven van hun eigen geld, zich behoorlijk zouden gedragen en het dagelijkse leven niet zouden verstoren, bijv. door het zingen van onzedelijke liederen. Wie zich misdroeg door diefstal, zedenmisdrijf, slagen en verwondigen, e.d., werd er onverbiddelijk uitgezet en kon fluiten naar zijn/haar bruidschat.

de 14de en 15de eeuw

De belegering van Doornik in 1340. Jean Froissart, miniatuur, 15de eeuw.
De belegering van Doornik in 1340. Jean Froissart, miniatuur, 15de eeuw.

Na een periode van forse economische groei en van uitbreiding van het patrimonium, door de vele schenkingen en giften van edele en rijke weldoeners (o.m. ook door bisschop Walter de Marvis in 1251), kende het hospitaal aanzienlijke financiële problemen gedurende de 14de en 15de eeuw. Die werden veroorzaakt door externe factoren zoals

  • de belegering van Doornik door de Vlamingen in 1340, waarbij een groot deel van de eigendommen en landerijen van het hospitaal werd verwoest.
  • de voedselschaarste, de stijgende prijzen, de muntontwaarding en de zware (kerkelijke en wereldlijke) belastingen vanaf 1340.
  • de zwarte pest in 1349.
  • rampen van allerlei aard, zoals de overstroming van de Schelde in 1374 en 1409.
  • de gevechten tussen het Franse leger en dat van Maximiliaan van Oostenrijk tussen 1470 en 1482.
  • vooral de aanslepende Honderdjarige Oorlog (1337-1453) met plunderingen door rivaliserende troepen van het Huis Valois en van het Huis Anjou om de Franse troon te veroveren.

Gouden munt van paus Clemens V, geslagen in Sorgues in 1310
Gouden munt van paus Clemens V, geslagen in Sorgues in 1310

1311 - Paus Clemens V vaardigde de bul "Quia contingit" uit, waarin de misbruiken van geestelijke verantwoorlijken van religieuze instellingen, waaronder hospitalen werden aangepakt. Die clerici streken hun jaarlijkse prebende (= inkomen) op, maar in veel gevallen waren ze regelmatig en soms langdurig afwezig en hielden ze zich weinig bezig met het hospitaal. Ze droegen de dagelijkse leiding gewoon over aan een onderhorige, waardoor het hospitaal verkommerde en de ziekenzorg werd verwaarloosd. Daarom vertrouwde de paus het beheer van de tijdelijke goederen toe aan een competente, toegewijde en herverkiesbare administrator.

1340 - De desastreuze Vlaamse belegering van de stad Doornik en de daarmee samenhangende financiële teloorgang van het O.L.V.-hospitaal was voor het kapittel de directe aanleiding voor de administratieve hervormingen, die de paus 30 jaar voordien oplegde. De kanunniken stelden naast de hospitaal-kanunnik, unaniem een bezoldigde functionaris aan, een zogeheten"receptor pauperum", vrij vertaald een accountant of boekhouder, die de financiën en talrijke eigendommen moest beheren en tegelijk de interne tucht handhaven (o.m. controleren of de zusters het stilzwijgen respecteerden in de refter, nagaan of het hospitaal 's avonds werd gesloten) en waken over de aankoop en verdeling van de levensmiddelen. Deze "receveur" werd gekozen - en jaarlijks herkozen - door het kapittel en moest op geregelde tijden de rekeningen (inkomsten en uitgaven) voorleggen, ook aan de communauteit van de zusters.

de 16de en 17de eeuw

Het O.-L.-V.-Hospitaal. Fragment van een kaart met de loop van de Schelde (1622). Doornik, Mus. archeologie en geschiedenis
Fragment van een kaart met de loop van de Schelde in Doornik, met rechts onderaan het
O.-L.-Vrouwhospitaal (1622). Doornik, Mus. archeologie en geschiedenis

1564 - Het O.L.V.-hospitaal kreeg een nieuw reglement. Daarin werd een duidelijk onderscheid gemaakt tussen het tijdelijke en het geestelijke. Het dagelijks beheer van de goederen en het patrimonium werd helemaal overgelaten aan "de receveur", onder algemene supervisie van het kapittel. Het tijdelijke gezag van de hospitaal-kanunnik raakte zo langzamerhand uitgehold en in de praktijk hield hij, als vertegenwoordiger van het kapittel, enkel nog zijn geestelijke prerogatieven over .

Maquette (fragment) van de stad Doornik (1701). Parijs, Musée des Invalides
Maquette (fragment) van de stad Doornik (1701). De kapel, waarrond de hospitaalgebouwen staan,
is geel aangestipt. (Parijs, Musée des Invalides)

Vanaf de 15de, maar vooral de 16de eeuw was er een toenemende invloed van de wereldlijke overheid op de administratieve organisatie van het O.L.V.-hospitaal. De eindverantwoordelijkheid van het kapittel van kanunniken werd meer en meer aangevochten door de stadsmagistraten, en beide kwamen al eens met mekaar in conflict. Zo poogde de magistraat van Doornik enkele keren pestlijders te laten verzorgen in het hospitaal, maar de kanunniken van het kapittel weigerden, omdat dit indruiste tegen de statuten van 1238. Maar telkens kwam het tot een minnelijke schikking, waarbij toch een beperkt aantal pestlijders werd opgenomen, onder stricte voorwaarden en op kosten van de stad.

de 18de en 19de eeuw

Postkaart (van vóór 1892). Rechts onderaan de hospitaalkapel.
Oude postkaart (van vóór 1892). Rechts onderaan het dak van de oude hospitaalkapel.

1758 - Het 13de-eeuwse hospitaal werd - met uitzondering van de kapel/ziekenzaal - afgebroken en vervangen door gebouwen in barokke Lodewijk XVI-stijl. Het nieuwe complex omvatte 3 gebouwen (met een U-vorm als plattegrond) die uitgaven op een centrale binnenkoer In 1797, tijdens de Franse overheersing, werd het O.L.V.-hospitaal gelaïciseerd en overgedragen aan de "Commissie van de Burgerlijke Gasthuizen". De klokketoren werd van het dak van de kapel gehaald.

Maquette van de hospitaalkapel in 1892. Doornik, Folkloremuseum
Maquette van de hospitaalkapel (1892). Doornik, Museum voor Folklore.

1892 - De aloude kapel/ziekenzaal uit de 13de eeuw werd gesloopt. Het gebouw, dat in de loop der eeuwen al heel wat wijzigingen had ondergaan, was de laatste reliek van het ooit zo vermaarde middeleeuwse O.L.V.-hospitaal. Volgens de oudheidkundige Eugène J. Soil de Morialmé vormde het grondplan van de tweebeukige kapel op moment van de afbraak een regelmatige rechthoek (14,5 m. breed, 49 m. lang), met in de 2 zijmuren langs weerskanten 4 ramen, en op beide uiteinden eveneens een venster.

Het timpaan boven de ingangspoort van de Doornikse Academie voor Schone Kunsten
18de eeuws timpaan boven de ingangspoort van de Doornikse Academie voor Schone Kunsten

In het 18de-eeuwse gebouw, dat uitgeeft op de rue de l'Hôpital Notre-Dame, nr 14, is nu de Academie voor Schone Kunsten van Doornik ondergebracht. Boven het ingangsportaal, in de voorgevel, is nog een timpaan te zien met een halfverheven beeldhouwwerk van de H. Maagd Maria met Jezuskind in de armen, gesculpteerd door Nicolas Lecreux (1734-1799).

© Copyright 2007- . Alle rechten voorbehouden. Contact: E-mail