De Zusters van O.L.V.-ten-Bunderen (vanaf omstreeks het jaar 1269)
Moorslede 1269-1578
Frankrijk 1578-1587
Ieper 1587-1785
Moorslede 1785-2004
Zonnebeke 2004 -
varia

 

   Zoek op deze site met FreeFind

 

beluister ClassicNL tijdens het surfen, 128 K stereo

Ten Bunderen wandelroute - De Tuimelare (4)


Gezellig warm ogend bakhuisje in de sneeuw aan de Oude Heirweg 47 (foto: Linda Malfait).

DE TUIMELARE - 4. AGRARISCH ERFGOED

Moorslede is van oudsher een belangrijke landbouwgemeente. De meest vruchtbare grond treffen we aan op de wijk Tuimelare, waar vanouds veel boerderijen staan met uitgestrekte akkers voor de teelt van vlas, tabak, cichorei, graan, koolzaad, enz. Voor de verwerking van die variëteit aan allerlei soorten gewassen werden tal van gebouwen opgetrokken: droogasten voor tabak en cichorei, bakhuisjes, windmolens, olieslagerijen ( 'stampkoten'), 'zwingelkoten' voor het vlas, maalderijen e.d. Maar vanaf de 2de helft van de vorige eeuw gingen veel exemplaren van dat agrarisch erfgoed - ook op de Tuimelare - ten onder of ze kregen een andere bestemming.

A. Asten voor tabak en cichorei


Tabaks- en cichorei-ast samen onder één dak. Hoeve Depuyt, Oude Heirweg 51 (zijstraat).
(Bron: Onroerend Erfgoed Vlaanderen).

Asten zijn hoge bakstenen gebouwen met een van onderuit verwarmde vloer om grondstoffen zoals tabak, cichorei, hop of graankorrels te drogen. Er werd gestookt met houtskool of cokes in een vuurkorf, gekoppeld aan een systeem van buizen met warme lucht. Een ast was een gesloten ruimte met enkel een kleine opening per droogkamer (1ste, 2de en soms 3de plaat). De temperatuur liep tijdens het drogen op tot 80 à 90°, met een zeer hoge vochtigheidsgraad.

Tabaksblaren werden tot de jaren dertig van de vorige eeuw manueel geplukt, genaaid op het veld en buiten aan ranken te drogen gehangen, bijv. onder een afdak. Met een ast op de hoeve kon voortaan het volledige droogproces binnen, in een vrij besloten ruimte, gebeuren. Maar dit procédé kende uiteindelijk weinig succes bij de rokers en dus ook bij de fabrikanten. Men ging geleidelijk opnieuw over tot het drogen in open lucht of in een serre, met nadroging in een ast.

Na 1800 en tot na de Eerste Wereldoorlog waren er in Moorslede maar liefst 150 telers, 140 tabaksasten en 30 cichorei-asten. Van die bloeiende teelt getuigden in 2010 nog maar 52 tabaksasten en 9 cichorei-asten, een decennium later een 40-tal tabaksasten en 6 cichorei-asten. Ze zijn dus in een snel tempo aan het verdwijnen. Slechts een paar ervan zijn nog in werking. In 2010 maakte Ludo Hameeuw, bestuurslid van de Heemkundige Kring Moorslede (HKM) een inventaris van de bestaande asten in een lezenswaardig boek "VUUR. Tabaksasten en cichoreiasten in Moorslede en Slypskapelle. Een industriëel landbouwpatrimonium" (Moorslede, HKM, 2019, 3de en bijgewerkte druk, 137 blz.).

  1. Tabaksasten.


    Tabaksast op de hoeve Vynckier, Tuimelarestraat 40 (Bron: Google StreetView).

    Vanaf de 16de eeuw was er in onze streken al tabaksteelt, vooral in de brede omgeving van Wervik. L. Hameeuw kwam tot de verrassende vaststelling dat Moorslede ooit het belangrijkste centrum was van de tabaksteelt in West-Vlaanderen én in ons land. Tussen 1942 en 1946 moest Moorslede niet onderdoen voor Wervik qua opbrengst en aantal telers, integendeel! In 1944 was er in Moorslede bijna 200 ha beplante oppervlakte tabaksplanten, in Wervik 189 ha. In 1946 waren er in Moorslede 108 planters, in Wervik 90. Pas toen het tabakssyndicaat van Wervik een monopoliepositie kon veroveren, werd Wervik de 'tabaksstad' van België.

    Op de Tuimelare staan nog volgende tabaksasten overeind:

    • Oude Heirweg (zijstraatje), 51 (hoeve Depuyt). Zeldzame combinatie van een tabaks- én cichoreiast met 2 verdiepingen, onder één dak (gebouwd na 1942, in gebruik tot 1967-1969 en nu een stal.
    • Tuimelarestraat 40 (hoeve Vynckier). Gebouwd aan het eind van de jaren 1930 en in gebruik tot omstreeks 1960.
    • Tuimelarestraat 36 (hoeve Dessein). Dateert van rond 1940.
    • Tuimelarestraat 26 (hoeve Vanneste). Werd gebruikt tot in 1964.
    • Tuimelarestraat 13 (hoeve Dejonghe). Staat links van de oprit en werd gebouwd in 1942. Ermee gestopt in 2010.
    • Tuimelarestraat 11 (hoeve Vandeputte). Gebouwd na WO II en in gebruik tot circa 1960.
    • Knaagreepstraat 2 (hoeve Delzeyne). Een eenvoudige ast in betonsteen uit 1988. In gebruik tot 1991.
    • Knaagreepstraat 5 (hoeve Desmedt). Vermoedelijk opgetrokken in de jaren vijftig van de vorige eeuw.
  2. Cichorei-asten.


    Driedelige cichorei-ast bij de hoeve Desmet, Knaagreepstraat 1 (Foto: Ludo Hameeuw).

    L. Hameeuw: "Ook voor cichorei bekleedde Moorslede een tijd lang, qua aantal telers en productie, de eerste plaats en was de gemeente daarin belangrijker dan Lichtervelde en Ardooie. De cichoreiteelt in Moorslede kent zelfs een langere geschiedenis dan die van de tabaksteelt, met gegevens die teruggaan tot voor 1827". Nu is er nog maar één cichoreibedrijf actief, nl. dat van Landuyt in de Stationsstraat. Het groeide in de 2de helft van de vorige eeuw zelfs uit tot een van de laatste grote cichoreidrogerijen in ons land. Het industriëel drogen is sinds 2011 verlegd naar de site SINODO in het N.-Franse St.-Pierre-Broux. Landuyt is nu de op één na grootste producent van Europa en zelfs een wereldspeler op het gebied van drogen van cichoreibonen.


    Pacha uit Halle, sinds 1825 de bekendste producent van cichorei.

    De telers en drogers van de cichoreiwortels (in West-Vlaanderen 'sekrijen', 'krot', 'prut' en vooral 'frut' genoemd) vonden een grote afzetmarkt in Vlaanderen. De gebrande en vervolgens gemalen cichorei werd op grote schaal gebruikt als surrogaatkoffie (bij gebrek aan echte koffie) of gewoon als smaakversterker toegevoegd aan koffie. Tegenwoordig is cichorei weer erg in trek als cafeïnevrije variant van koffie!

    Het drogen van cichorei gebeurde van oktober tot december. In zijn bekende novelle "Het leven en de dood in den ast" (1926) toont Stijn Streuvels ons hoe een drietal zogeheten 'astepieten' zich afbeulen in die ondraaglijke hitte en vochtige dampen van een cichorei-ast. In de wijk de Tuimelare stonden er eertijds 8 cichorei-asten. Daarvan zijn er in 2021 nog slechts een drietal bewaard gebleven, die echter niet meer worden gebruikt als drogerij:

    • Oude Heirweg 51, zijstraatje (hoeve Depuyt). Dubbelast voor cichorei én tabak met 2 verdiepingen, onder één dak (gebouwd tijdens of kort na WO II, ter vervanging van een oudere cichorei-ast die WO I had overleefd. Hij was in gebruik tot 1967-1969 en is nu een stal.
    • Tuimelarestraat 13 (hoeve Dejonghe). Rechts van de oprit was er vóór WO I een cichorei-ast. Na de verwoesting werd deze in 1919 heropgebouwd, maar hij is sinds 1958 niet meer in gebruik.
    • Knaagreepstraat 1 (hoeve Desmet). Deze ast bestaat uit 3 delen: a) rechts de droogast met onderaan 2 cokesvuren en erboven 2 platen, 2) in het midden de laad- en koelingsruimte, c) links het magazijn voor de opslag van de droge bonen. De ast bleef in gebruik tot rond 1970.

B. Bakhuisje


Bakoven in de middeleeuwen (Miniatuur uit de 13de eeuw).

Bakovens voor het bakken van brood zijn van alle tijden, zeker al vanaf 4.000 jaren vóór Christus. Tijdens de middeleeuwen, in het feodale tijdperk, stond in veel Vlaamse dorpen een zogeheten 'banoven', ook wel 'dwangoven' geheten. Deze oven was eigendom van de plaatselijke heer en alle bewoners van zijn rechtsgebied (= ban) of heerlijkheid waren verplicht om er gebruik van te maken. Ook de kloosters beschikten over een eigen broodbakkerij en waren vaak eigenaar van een eigen graanmolen. Dat was niet enkel voor eigen gebruik. Ze waren namelijk verplicht om arme reizigers, vooral pelgrims, gastvrij te ontvangen en van brood te voorzien.

Tot ver in de vorige eeuw bakten veel gezinnen, vooral de boeren, op het Vlaamse platteland zélf hun brood. De meeste hoeves teelden hun eigen graan dat ze in een nabijgelegen molen lieten malen. Kleine boeren lieten hun zelfbereid deeg bakken in een gemeenschappelijk bakhuisje, waarvan een of meerdere buren - al dan niet tegen betaling of in natura - gebruik konden maken. Sommige boeren gingen naar de stad om er hun brood te laten bakken bij een zogeheten 'loonbakker'.


Bakhuisje in Assebroek bij Brugge (foto: Wikimedia Commons).

De grote boerderijen beschikten over een eigen bakhuisje, waarin de boerin brood bakte voor een hele week. Zo'n bakhuisje werd ook wel ovenkotje, bakkotje of bakkeukentje genoemd. Vóór WO I sprak men over een "ovenbuur". 'Buur' betekent 'bouw'. Nog vroeger had men het over een "hael". Hier en daar stond de bakoven onder een afdak, aanleunend tegen de muur van een stal, van een schuur of... van het woonhuis. Dit laatste had zo zijn redenen: de oven was dan makkelijk bereikbaar vanuit de woning en de warmte ging niet verloren. In kleinere boerderijen trof men wel eens een bakoven aan binnen het woonhuis. Dat kostte namelijk véél minder dan het bouwen en overkappen van een bakhuisje met bakoven buiten.

Toch vormde een bakhuisje meestal een afzonderlijk bijgebouw op het erf van een hoeve, ver weg van het eigenlijke woonhuis en andere gebouwen, ter voorkoming van brand. Ook omwille van de brandveiligheid werden bakhuisjes veelal opgetrokken in baksteen en het (zadel)dak bedekt met pannen om het brandgevaar te minimaliseren. Voor alle metselwerk, vooral in en rond de bakoven, werd meestal leemmortel gebruikt.


Het bakhuisje, nu in het groen gehuld, aan de Oude Heirweg 47 (foto: Linda Malfait).

In onze streken had een bakhuisje doorgaans een tweedelige structuur: het voorgebouw (het eigenlijke bakhuisje) en de bakoven. Ze stonden allebei in mekaars verlengde, met elk een zadeldak: meestal een hoog dak voor het bakhuis en een lager dak voor de aanpalende bakoven.

  • Het hogere voorgebouw (het eigenlijke bakhuisje). De vloer van het bakhuisje was vaak de oorspronkelijke, onbedekte grond, ofwel een gestampte leembodem. In sommige bakhuisjes was de vloer gemaakt van plaveien of van bakstenen.
  • De bakoven ('ovenkot'). Linda Malfait: "Bij de bouw van een bakoven kwam heel wat stielkennis kijken! Op de verhoogde ovenvloer werd zowel het vuur gestookt als het brood werd gebakken. De ovenvloer moest achteraan hoger liggen dan vooraan. Hij was altijd afgerond in ovaalvorm, nooit met scherpe hoeken, want die veroorzaken een ongelijke verwarming. De ovenvloer werd vervaardigd uit vuurvaste bakstenen of vloertegels en had een isolerende onderlaag van zand en leem. Het geheel rustte op een gemetste onderbouw. Vaak was er onder de oven een 'ovenkeldertje' dat dienst deed als opslagruimte voor takkenbossen of zelfs... als kippenhok! Het afgeplatte koepelgewelf van de oven ('ovenkap') bestond doorgaans ook uit vuurvaste bakstenen. Dat gewelf werd bestreken met een dikke laag leem, vermengd met gehakt stro en zand. Daardoor behield de oven veel langer zijn warmte. Boven de ovenmond bevond zich een trechtervormige bakstenen schoorsteen om de rook naar buiten te leiden via de eigenlijke schoorsteen, die uitstak boven de achterpuntgevel van het bakhuisje".


Bakhuisje in Dentergem (foto: Wikimedia Commons)

Linda Malfait: "In het bakhuisje bereidde de boerin het deeg. Ze mengde het meel van tarwe of tarwe met melk en gist. Vervolgens kneedde ze het deeg in een houten trog en liet het rijzen onder een deken, dankzij de zuurdesem (= overgehouden en verzuurd deeg van het vorig baksel), later vervangen door gist. De bovenzijde van de broden werd ingestreken met koude koffie (om een mooie bruine kleur te verkrijgen), het rozijnenbrood met geklopte eieren. Intussen werd de bakoven opgewarmd door het verbranden van takkenbossen van beuken-, eiken- of wilgenhout, maar nooit van dennenhout. Die bundels van klein brandhout moesten minstens één jaar vooraf gedroogd zijn in de houtmijt of onder een afdak".

"Wanneer de bakstenen wit werden van de de hitte was de oven warm genoeg, d.w.z. dat er een temperatuur van ongeveer 65° was bereikt. Om dat te controleren waren er die, naar het schijnt, in de oven spuwden! Als het speeksel in de lucht verdampte was het aantal graden te hoog; als het traag verdampte op de stenen vloer was de oven onvoldoende opgewarmd. Het speeksel moest dus meteen verdampen nadat het op de gloeiende vloer viel. Na het vaststellen van de juiste temperatuur werden de nog niet-verbrande houtresten van de ovenvloer weg gerakeld met een 'loet' (= rakelijzer of ovenkrabber) en in de doofpot gestopt (vandaar het spreekwoord!). Die pot werd luchtdicht gesloten met een deksel bovenop. Door gebrek aan zuurstof hield de verbranding van de overgebleven resten houtskool gauw op en konden ze later opnieuw worden gebruikt".


José Vandermersch staande bij de ovenmond met de 'broodschieter' in de hand (foto: HN)

Linda Malfait: De oven was nu klaar om te bakken. Vliegensvlug werd het deeg in de oven 'geschoten' (= geplaatst) met een houten 'broodschieter' of 'ovenpaal' (= een platte schep met een lange steel). Sommige boerinnen bakten het brood op een metalen plaat, andere direct op de voorverwarmde ovenstenen. In de eerste fase van het bakken moest de plaatijzeren deur van de ovenmond héél goed gesloten blijven, om te beletten dat de rijzing van het deeg mislukte. In de bakoven bakte men niet alleen het dagelijks brood, maar ook melkbrood, krentenbrood ('koekebrood'), vele soorten taarten en gebakjes, ovenkoeken (met de overschot van het deeg), boterkoeken, pannenkoeken, wafels, stoofpotjes, enz. Ook werden er appels, bekleed met de deegresten, meegebakken. Wanneer, na zowat een uur de oven ging afkoelen, was het brood klaar. Je kon dat controleren door te kloppen op de onderkant van het brood. Klonk het hol dan was het goed. Of je kon een breinaald in het brood steken. Kwam ze er droog uit, dan was het brood voldoende doorbakken".


Dit schattig bakhuisje uit Beernem lijkt wel afkomstig te zijn uit een of ander sprookje...
(foto: Wikimedia Commons).

Linda Malfait: "Waarvoor werd het gebouwtje nog gebruikt? De hespen en het spek werden vaak in de open schouwkap van het bakhuis gerookt. Stelen en wandelstokken werden in de bakoven gewarmd om ze te kunnen buigen. In de bijna afgekoelde oven kon men pluimen drogen om die te gebruiken als vulling voor matrassen en hoofdkussens. Men droogde er ook fruit in…Sommige bakhuisjes hadden een zolder. Deze werd gebruikt als een opslagruimte of als duivenhok."

"Vanaf de Tweede Wereldoorlog, met de veralgemening van het electriciteitsnet, werd brood in onze streken steeds vaker gekocht bij de warme bakker of door de bakker aan huis gebracht. Wanneer men toch nog thuis brood bakte, dan was dat veelal in de oven van de huiskamerstoof of in een fornuis. Velen gingen industriëel gebakken brood kopen in het grootwarenhuis. Vandaag de dag is het zélf bakken thuis weer helemaal in en het is zelfs een van de speerpunten van de bio-voedingscultuur. Het is overigens makkelijk: drop de nodige hoeveelheid "All-in" bakbloem en water in de volautomatische broodmachine en je broodje is gebakken!"

"In de moderne tijd is het merendeel van de bakhuisjes in onbruik geraakt. Ze verkommerden of werden gewoon afgebroken. Of ze kregen een andere bestemming als bergplaats of tuinhuis. Soms werd de was of de koeketel erin gekookt. Hier en daar was er zelfs een bewoond (!) of werd er ’s zomers in gegeten om het huis proper te houden".


Het bakhuisje bij de hoeve Vandermersch, Pauweldreef 9 (foto: Onroerend Erfgoed Vlaanderen).

Hier en daar treffen we nog landelijke bakhuisjes aan. In Moorslede is er zelfs één opnieuw in gebruik genomen, niet wekelijks maar een aantal keren per jaar. Dat bakhuisje stond bij de hoeve Vandermersch in de Pauweldreef 9. Het was sinds de jaren 1970 wat verwaarloosd en werd gebruikt als stapelplaats. Maar in 2016 werden het ovenkot en de bakoven erin helemaal gerestaureerd en in eer hersteld. Op de wijk de Tuimelare langs de Oude Heirweg staat, achter het huis nr. 47, een bakhuisje dat wordt gebruikt als tuinhuis. De aangebouwde bakoven is afgebroken.

C. De maalderij


De oude maalderij, nu omgedoopt tot 'De Nieuwe Maalderij' (© Google StreetView).

Linda Malfait: "Langs de Oude Heirweg staat, op het nummer 21, het gebouw van een vroegere maalderij. Een maalderij was een kleinschalig industriëel bedrijf waar men het graan niet maalde door windenenergie zoals bij de klassieke windmolens, maar met mechanische aandrijfkracht, met behulp van een electrische- of dieselmotor. De maalderij werd in de jaren 1946-1947 opgetrokken door de toenmalige bewoners, die een bloeiende winkel en kippenkwekerij hiervoor inruilden. Dat liep echter uit op een faillissement en de maalderij werd verkocht. De nieuwe eigenaar hield ze draaiende tot 1985. Daarna schakelde hij over op kolenhandel en transport. Tenslotte werd het gebouw van de maalderij een opslagruimte. Sinds 2016 is dit een gezinswoning annex praktijk van twee kinesisten, 'De nieuwe Maalderij' genoemd".


Een foto uit de oude tijd, toen de maalderij nog in gebruik was (Bron: Linda Malfait).

"Het gebouw heeft symmetrisch gebouwde gevelmuren uit baksteen. Het heeft brede rechthoekige muuropeningen met aanvankelijk metalen ramen en poorten, vervaardigd door mijn vader Octave Malfait, een Tuimelaarnaar. Later werden die ramen vervangen door kunststof. Het was oorspronkelijk de bedoeling om nog een derde verdieping te bouwen, maar het is bij die éne hoektoren als extra-bouwlaag gebleven. Die geeft het toch al stoere gebouw iets wat je aan een soort 'versterkte burcht' doet denken".

D. De Veldmolen


De Veldmolen tijdens Wereldoorlog I, een paar jaar vóór hij werd vernield
(Bron: Prentbriefkaart Duitse Feldpost).

Vóór de eerste Wereldoorlog (1914-1918) stonden er op het grondgebied van Moorslede nog een achttal klassieke windmolens (voor graan en lijnzaadolie), zoals de Veldmolen (op de Tuimelare), de Koekuitmolen, de Slypsmolen en de Waterdammolen. Die zijn inmiddels allemaal verdwenen (ofwel afgebroken, of omgewaaid, of neergehaald door oorlogsgeweld). De Veldmolen stond op de oostelijke uithoek van Moorslede en van de Tuimelare, bij de hoeve Sinnesael, pal naast de Veldstraat (nu Mgr. Catrystraat) die de grens vormt met Beitem (Roeselare). Hij werd ook, naar de naam van de eigenaar, "Sinnesaelsmolen" genoemd en, wegens zijn ligging, ook 'Beitemmolen".


Het pijltje wijst naar de Veldmolen, Tuymelaere (detail van de Ferrariskaart, 1777).

Bij zijn oprichting, in 1768, stond de Veldmolen op een stuk cijnsgrond van de Roeselaarse heerlijkheid "den Hazelt", toen verpacht aan de zusters van het Gasthuis ten Bunderen aan de Oude Heirweg, die al sedert 1587 in Ieper verbleven. In 1827 kwam de molen in handen van Carolus-Francis Sinnesael-Vanneste, die ooit molenaar was in Langemark. Al sedert 1811 had hij een bakkerij op de hoek van de Menensesteenweg en de Veldstraat, aan de overkant van "Sinnesaelskapel". De molen bleef eigendom van C.-F. Sinnesael en zijn vrouw Barbara-Theresia Vanneste, (1827-1876), hun zoon Pieter-Joannes Sinnesael-Baert (1876-1892) en hun kleinzoon Hendrik Sinnesael-Persoon (1892-1918), tot die, in het laatste jaar van WO I, helemaal werd vernield en niet heropgericht.


Sinnesaelsmolen in de Veldstraat (19de eeuwse postkaart).

© Copyright 2007- . Alle rechten voorbehouden. Contact: E-mail